De Klote – Harmoniebal 2.0

By Algemeen, Carnaval
Herinnert u ze zich nog, die formidabele Harmoniebals van toen ooit? Een dampende Vierspan die bijna uit z’n voegen barstte onder al het carnavalsgeweld. Noudje en Rita achter de bar en Turbo Tinga en Frans van Gennip die volle dienbladen sjouwden. Met een altijd breed grijnzende Huub van Kessel in het muntenhok en een glunderende Willy Bijsterveld die ieder jaar -tegen beter weten in- constateerde dat ‘het allemaal toch wat minder was dan vorig jaar’. Met Gerard Verhappen aan de entree die iedereen met een warme glimlach welkom heette en de garderobe van de Watervrienden waar ze steevast je jas kwijtraakten.

Die Harmoniebals dus. Met de gruwelijk knallende Hôsbengels in de Grote Zaal, de vreetschuur in de Harmoniezaal en zeker ook met de spetterende Lightstars in de foyer. Die Harmoniebals waar de avond elk jaar weer veel te kort bleek te zijn. Daar ja.
Pure nostalgie voor iedereen die daar zijn carnavalshart voor altijd verloren heeft.

Voor iedereen die nu een glimlach van herkenning niet kon onderdrukken; ook voor u is er nog hoop. Plijn Veif carnavalszaterdag, half negen: Naar de Klote! De tapkraan wijd open, een zwaar onderbezette garderobe en files voor het muntenhok. Met de Hôsbengels natuurlijk, nog altijd de feestkanjers van weleer op het ene podium en jawel: The Lightstars Revisited op het andere!

Ze missen weliswaar het korte rokje en die benen tot helemaal aan de grond, maar het kamikazerepertoire van weleer schalt ook deze niet te missen avond weer door de speakers. Meebrullen mag, een traantje wegpinken uit pure nostalgie is natuurlijk ook toegestaan.

Naar de Klote: het Peelstrekelantwoord op De Vrienden van Amstel. Maar dan beter… véél beter!

Peter van Deursen D’n Opsteker 2020

By Algemeen, In de Media

Tijdens de receptie van de Prins van de Peelstrekels werd Peter van Deursen door PrCie-voorman Leon van Osch de 29e Opsteker opgespeld. De onderscheiding wordt door de PrCie sinds 1992 jaarlijks uitgereikt aan iemand die zich achter de schermen op bijzondere wijze verdienstelijk maakt voor carnaval in Deurne in het algemeen en Stichting de Peelstrekels in het bijzonder. Ex-Prins Van Deursen ontving de onderscheiding voor zijn niet aflatende inzet voor de optocht in Deurne, waarvan hij al jaren een van de kartrekkers is. Ook zijn grote verdiensten voor de Deurnese Prinsengarde werden geroemd en Van Osch onderstreepte de bereidheid waarmee de nieuwbakken Opsteker klaarstaat voor het hele carnavalsgebeuren en de toewijding waarmee hij de taken die hij op zich neemt in alle bescheidenheid ook daadwerkelijk uitvoert.

Prins Mark II in opspraak

By Algemeen, In de Media

De Noord Koreaanse sport bond plaatste vraagtekens bij de opmerkelijke sportprestaties van Prins Mark II van de Peelstrekels. Het NOS journaal dook er meteen boven op en kwam tot een bijzondere conclusie….

Met dank aan: De Noord Koreaanse nieuwslezeres, Wethouder Marinus Biemans en Andy Marcelissen

Ellufde van de ellufde

By Carnaval

Ja… het is weer zo ver…. die ene dag van het jaar! Vandaag is het de 11e van de 11e en dan kan maar 1 ding betekenen…. het 5 dagen onbesnut veel bier drinken, Olympische afstanden polonaise lopen, je weer in dat stinkende pak van vorig jaar hijsen (omdat je het voor het 4e jaar op rij bent vergeten uit te wassen)  en het toejuichen van de prins tot je keel er schor van wordt is weer in het zich!!!! Carnaval 2020 staat weer in de startblokken.

Zaterdag de 16e weten we wie er weer de komende carnaval over het Peelstrekelrijk heerst! Bijzijn = meemaken. Wij hebben er zin in en vatte er #noginnestoandebins

D’n Opsteker Henk Bijnen overleden

By Algemeen

PEELSTREKELRIJK – Zondag 10 maart 2019 is Henk Bijnen op 84-jarige leeftijd overleden. Henk ontving in 1999 D’n Opsteker van de PR|CIE. Hij was, onder andere, jarenlang de man van het draaiboek van de Gala-avonden van De Peelstrekels en was ook in het begin van ’t Klotgemul actief betrokken.

Sedert 1992 wordt D’n Opsteker door de PR|CIE uitgereikt aan mensen die (op de achtergrond) veel betekenen voor het carnavalsfeest in Deurne. De PR|CIE wenst familie, vrienden en bekenden veel sterkte bij het verwerken van dit verlies.

Als eerbetoon aan Henk plaatsen we hieronder zijn dankwoord voor D’n Opsteker, zoals dit gepubliceerd is in carnavalskrant De Peelstrekel in het jaar 2000.

 

Op de tweede avond van ‘t Klotgemul op zaterdag 30 januari 1999 vonden wat mij betreft vreemde voorvallen plaats. De avond begon geheel volgens het geplande draaiboek tot bleek dat- een van de artiesten niet op tijd aanwezig was, waardoor het later geplande onderdeel, het uitreiken van “De Opsteker 1999”, naar voren gehaald werd. Inmiddels was de artiest gearriveerd waarmee ik in gesprek was omtrent de gewijzigde aanvangstijd. De P.R/Cie., welke de onderscheiding uitreikt, was al bezig met de aankondiging hiervan, waarvan ik niets gehoord had. Plotseling werd ik uit de gang geroepen en naar het podium gedirigeerd niet wetende wat me te wachten stond. Stomverbaasd, geschrokken en dientengevolge sprakeloos stond ik daar op het podium en werd me de onderscheiding uitgereikt. Zelfs mijn vrouw, die jammer genoeg ook hier niets van wist en eerst een dag later in de zaal zat, kreeg het telefonisch te horen. Ik ben steeds van mening geweest dat slechts leden van de raad van Elf en bestuursleden van de Peelstrekels hiervoor in aanmerking kwamen, vandaar mijn verbazing!

Door middel van dit stukje in deze carnavalskrant wil ik de P.R/Cie. Danken voor de mooie onderscheidingsspeld en de prachtige oorkonde. Ook wil ik De Peelstrekels bedanken voor het vertrouwen en de medewerking welke ik die lange jaren heb gekregen en welke begon in 1976 met het organiseren van het

Fantastische Kerstbal en het opzetten van de Gala-avonden. Nu ik gestopt ben met de activiteiten blijf ik toch, althans op een afstand, alles wat de Peelstrekels betreft

volgen. Ook wil ik de commissie Klotgemul danken voor de prettige samenwerking en

wens hen veel succes toe voor de komende jaren. Wat ik wel heb overgehouden aan de vele jaren is een schat aan adressen van artiesten en optredens welke me nu goed van pas komen bij andere activiteiten.

 

Peelstrekels bedankt en veel succes.

Henk Bijnen.

De Klote, een succesformule

By Carnaval

De eerste editie, carnavalszaterdagavond, van De Klote kan de boeken in als bijzonder geslaagd. Plein Vijf was tot de nok toe gevuld met carnavalsvierders die met volle teugen genoten van een dynamisch en gevarieerd programma, waarbij blaaskapel de Hôsbengels en een keur aan Deurnese artiesten op diverse podia de feestvreugde tot grote hoogte brachten.

De Klote is de opvolger van ’t Is goe dè ge ‘r bent van blaaskapel De Hôsbengels dat voorheen op carnavalszaterdagavond in Plein Vijf plaatsvond. Dit evenement was toe aan een opfrissing. De Hôsbengels hebben samen met de PR|CIE, Plein Vijf en diverse Deurnese artiesten de schouders onder De Klote gezet en het gewenste resultaat behaald. Optredens van De Hôsbengels werden afgewisseld met de optredens van Wakanutgeve, Hiep Hiep Hoera, Erwin en John en De Lightstars Revisited. Deze band sloot ook samen met De Hôsbengels de avond af met een heuse battle met het nummer Over and Out. Hierna konden prins Nico I en prinses Anne van De Peelstrekels naar buiten om daar voor alle bezoekers uitsmijters te bakken. Dit alles onder het motto: Op de eikes bij de Prins.

Met deze eerste succesvolle editie heeft De Klote zijn bestaansrecht bewezen en kan de organisatie aan de slag voor editie twee op carnavalszaterdagavond 2020.

Erehosbengel 2018 – volledige versie

By Algemeen

In de carnavalskrant mocht wegens plaatsgebrek helaas maar een zeer uitgedunde versie van deze epos geplaatst worden. Maar hier vindt u het volledige verhaal.

‘D’n dag van ’t Perdje Poepveldje’

Het zit er gelukkig alweer bijna aan te komen; carnaval. Een van de mooiste, zoniet hét allermooiste feestje van het jaar. En het is niet enkel het formidabele evenement zélf; die periode van een dag of vijf die een gekend carnavalsadept als de schrijver van dit stukje meestal doorbrengt in gelukzalige dronkenschap, omringd door eenvoudige lieden van zijn slag. Nee, ook de aanloop daar naar toe is voor de ware carnavalsverslaafde een periode van contemplatie, bezinning en serieus indrinken. Kortom; een memorabele tijd waarin hij zich in alle rust voor kan bereiden op de hectische dagen die ongetwijfeld komen gaan. In mijn persoonlijke geval is dit ook de periode dat talloze clubjes, variërend van het zootje ongeregeld van de PrCie, tot de fine fleur van Deurne van de Peelstrekels en de goedbedoelende onnozelaars van de Hôsbengels, een beroep komen doen op mijn veronderstelde creativiteit (proest). Helaas houden voornoemde bendes en daarbij nog vele anderen er in dezen de onhebbelijke gewoonte op na mij net vóór carnaval, ‘op ’t scheie van de mert’ in te schakelen. Een dikke week na het verstrijken van de terzake doende deadline staan ze dan, verlegen stotterend, door de telefoon te vertellen dat het eergisteren klaar moet zijn, dat vanwege voortdurende armlastigheid van betaling helaas geen sprake kan zijn, maar dat ze me wel zullen gedenken in hun gebeden. Hoewel ik er absoluut van overtuigd ben dat dit laatste voor mij persoonlijk zeker geen kwaad kan, zie ik dit toch niet direct als een gewenste beloning. Toch strijk ik dan meestal over mijn hart (dat volgens iemand die zich volkomen onterecht mijn vriend noemt, òf gekookt op mijn rug dient te hangen, òf gekoeld onderweg behoort te zijn naar iemand die het hard nodig heeft), maar tracht wel de schlemiel aan de andere kant van de lijn nog even te overreden mij een kleine vergoeding te beloven in de vorm van een fles door mij gekoesterd kruidenbitter. Mij leek dit aanvankelijk een voor mij persoonlijk zeer plezante wijze van honoreren, maar helaas functioneert dit ogenschijnlijk waterdichte systeem nog niet naar behoren. Het verkrijgen van de toezeggingen blijkt tot nu toe geen enkel probleem, het daadwerkelijk incasseren van de beloofde drank des te meer. Ik heb inmiddels hele dozen bitter van Teutoonse makelij tegoed, bijzonder veel loze ruimte in mijn vriezer en maar zelden een borrel in huis als mijn immer dorstige vrienden op de klep vallen. Door schade en schande bijzonder wijs geworden heb ik daarom mijn arbeidsethos in dezen aangepast;  het kost aanmerkelijk minder moeite om mooi te lullen dan om iets moois te maken. Toch wel behoorlijk van de tongriem gesneden, verkoop ik inmiddels dus al deze veel belovende maar weinig gevende lieden met graagte knollen voor citroenen en poets ik al hetgeen ik voor hen ‘tussen de soep en de erpel’ even in mekaar draai, zozeer op met loze praatjes dat het glimt als een drol in de maneschijn. Ik zou zowaar bijna door kunnen gaan voor het gemiddelde Deurnese reclamebureau.

Afijn; uiteindelijk werd het ook dit jaar onvermijdelijk toch weer carnaval. Nu kan ik hier natuurlijk indianenverhalen op gaan lopen hangen over hoe geweldig ik heb meegezongen bij Kommer en Kwijl, hoe enthousiast ik al die charismatische prinsen, hun bevallige vrouwen en hun schatjes van kinderen heb toegejuicht bij het iedere keer weer dynamische Sleutelafhalen, hoe ik diezelfde avond mezelf keurig gedragen heb op ’t is Goe dè ge’r Bèènt van de Hôsbengels en hoe netjes op tijd ik weer in mijn bedje lag met de handjes boven de dekens. Dat zou ik hier gemakkelijk neer kunnen schrijven; papier is geduldig nietwaar? Ik zou hier ook gewoon kunnen vertellen dat ik op zondagmorgen devoot voor het welzijn van iedereen en zelfs de Pottenbakkers heb gebeden tijdens de carnavalsmis, hoe ik ’s middags eigenlijk zo goed als in mijn eentje al die gaten in de optocht dichtgelopen heb, hoe ik tijdens het eten daarna helemaal niet op tafel gestaan heb in het bovenzaaltje van een lokaal restaurant en hoe ik de rest van de avond volledig alcoholvrij thuis voor de buis heb doorgebracht, kijkend naar alweer een fascinerende aflevering van Rail Away. Dat zou ik hier zomaar allemaal kunnen zeggen. Ik zou hier zelfs kunnen verklaren dat ik de maandag heb aangegrepen om met mijn vrouw (die alcohol ook verafschuwt) en mijn bloedjes van kinderen een stevige wandeling door de vrije natuur te maken, dat we daarna lekker samen een colaatje hebben gedronken en een frietje hebben gegeten en dat we de avond gezellig met z’n allen mens-erger-je-niet-end doorgebracht hebben. En dat ik ’s middags helemaal niet, in zeer twijfelachtig gezelschap, gruwelijk de beest uitgehangen heb op het terras van de Brouwer met de állervetste kapel van Gemert; Octaaf Alaaf, dat ik me daarna zeker niet te buiten gegaan ben aan onbetamelijke hoeveelheden bier en Jägermeister tijdens de Rozenmondeg en dat ik ’s avonds helemaal niet meelallend bij Deurze Zingt Mee tegen het podium aan gelegen heb. Dat zou ik hier allemaal met de hand op mijn hart (yep, datzelfde van gekookt en onderweg) kunnen verklaren. Niemand die mij hier tegenspreekt; ik zit dit stukje hier lekker op een saaie oktoberdag veilig achter mijn beeldschermpje in te tikken, als lullen worst was had ik nooit honger en waarschijnlijk is iedereen toch al lang vergeten hoe die carnaval van 2018 verlopen is. Dus wat let me dan wel kun je je nu afvragen? Ik zou me hier nu eventueel laf kunnen verschuilen achter mijn geweldige inborst, mijn dwangmatige eerlijkheid of mijn grenzeloze afkeer van gezwam en geleuter, maar ik persoonlijk ken niemand die daar ook maar een woord van zou geloven en bovendien is de bittere waarheid dat ik het eigenlijk niet meer zo goed weet. Ik kan me de start van Kommer en kwijl op vrijdagavond nog wel herinneren; vaag weliswaar, maar toch. Het voorkwijlen bij de Reizende Man, dat staat me nog enigszins bij, net als de afgeladen bladen met bier waarmee mijn immer attente kumpels mij al gelijk lastig kwamen vallen en de venijnige borrels die voornoemde onterechte vriend op geniepige wijze voor mijn neus wist te zetten. Hoewel ze weten dat ik niet zo wegloop met al die alcohol en ik eigenlijk liever een chocomel of desnoods een sneeuwwitje had genuttigd, wilde ik hen ook niet teleurstellen en zeker ook geen spelbreker zijn. Dat heeft me dus, achteraf bezien, enigermate opgebroken.

Ik kwam eigenlijk pas weer enigermate bij mijn positieven op de vroege dinsdagmiddag; en dan ook nog lopend notabene. Nu heb ik geen hekel aan lopen, moet u weten, maar ik vind van de bank naar de koelkast en terug eigenlijk al een mooie wandeling. Maar goed; ik stapte dus stevig door, zomaar op een verloren carnavalsdinsdagmiddag en gelukkig wel onder een stralend zonnetje (jawel; ieder krijgt wat hij verdient). Nu ligt de vraag natuurlijk voor de hand waarnaar ik dan onderweg was en dat vraagt om enige uitleg vooraf. U moet weten; ik maak al enige jaren deel uit van een clubje enigszins merkwaardige figuren die menen, behalve bij te moeten blijven dragen aan de toch al redelijk gevulde portemonnees van de Deurnese kasteleins, het lokale carnavalsfeest naar een nog bedenkelijker niveau te moeten tillen. In een grijs verleden hebben ze mij ooit, zo ongeveer op de blote knietjes en met traantjes in de oogjes, gesmeekt lid te worden en ik wilde ze op dat moment niet voor het hoofd stoten door nee te zeggen. Anja probeerde mij nog te waarschuwen, maar ik koos er voor haar venijnige elleboogstoten te negeren en in een vlaag van volstrekte verstandsverbijstering stemde ik toe. Ja, ik weet het; medelijden is een razendslechte raadgever, maar iedereen maakt fouten en berouw komt na de zonde. Eigen schuld, dikke bult. Afijn; ons groepje van toch wel wereldvreemde individuen kwam, gedreven door een nijpend gebrek aan vrienden, sympathisanten en sociale contacten in het algemeen, in contact met een evenzo excentriek gezelschap wat zich voornamelijk bezig hield met het al decennia lang, te pas, maar vooral te onpas, produceren van op muziek gelijkende klanken; de Hôsbengels. Jazeker, ik ben me er van bewust; muziek is een kwestie van smaak en waarschijnlijk vinden zelfs de medewerkers van de gemiddelde handel in lompen en oude metalen dat ze zelf ook best behoorlijk geluid zouden kunnen krijgen uit blikken instrumenten, maar die hebben dan tenminste nog wel het besef er niet mee op een podium te gaan staan. Ik bedoel maar. De Hôsbengels dus. Ieder jaar op carnavalsdinsdag reiken ze hun onderscheiding, de Ere-Hôsbengel, uit en, laten we heel eerlijk zijn, dat is met afstand meteen de meest begeerde decoratie in het hele Peelstrekelrijk. Sterker nog; ik ken een drager van de Militaire Willemsorde die er met plezier honderd euro bij zou willen lappen als hij ‘m kon ruilen tegen het fraai geëmailleerde koperen Hôsbengeltje. Die onderscheiding wordt op carnavalsdinsdag uitgereikt aan een nietsvermoedend slachtoffer, dat thuis verrast wordt met een heleboel ceremonieel, veel mooie en vooral loze woorden en natuurlijk de betreffende onderscheiding, waarna in chronologische volgorde; de thermostaat van de verwarming op het maximum wordt geschroefd, de koelkast van de kandidaat en eventueel die van de buren wordt geplunderd en het toilet zodanig bevuild wordt dat van een normaal gebruik de eerste weken geen sprake kan zijn. Om bij een dergelijke argeloze kandidaat nou niet een beetje armoedig met anderhalve man en ’ne paardekop aan te komen vraagt de blaaskapel bij tijd en wijle (als soortement van loze vulling) hun ‘makkers’ van de PrCie hen te vergezellen. Zeker wanneer het een gezamenlijke kennis betreft wil dat nog wel eens gebeuren. Zo ook dit jaar blijkbaar, waardoor ik mezelf, na een doorleefde carnaval, ineens weer met twee benen op de grond, maar wel stevig doorstappend, terugvond in de achterhoede van de schamele optocht die gevormd werd door de Hôsbengels en hun trawanten. Genoeglijk keuvelend en ons niets aantrekkend van de blaaskapel voor ons, die meende, (totaal niet gehinderd door muzikale kwaliteiten) de rust te moeten verstoren, wandelden we vanaf de Harmoniebar in de richting van het station, onderweg halt houdend bij huize Ahout om de échte nitwits onder de aanhang op een nóg verkeerder been te zetten. Nadat de heer des huizes met een wazig verhaaltje afgeserveerd was werd de queeste voortgezet, werd manmoedig de Julianastraat overgestoken en daarna halt gehouden bij de nabijgelegen hondenuitlaatplaats, naar ik vermoedde voor een sanitaire stop van enige muzikanten.

Die was ook mij al wel eens eerder opgevallen; die hondenuitlaatplaats op de hoek van het Nassauplein en de Emmalaan in Deurne. Iedere argeloze voorbijganger wordt immers door de alom tegenwoordige penetrante geur op genadeloze wijze attent gemaakt op de aanwezigheid ervan. Telkens als ik er voorbij fietste en dat kwam nogal eens voor, vroeg ik me af of een kapitaalkrachtige dierenvriend in de buurt soms eigenaar zou zijn van een compleet roedel Deense Doggen met indigestie, of dat een lokale landbouwer er dagelijks in het geniep enkele van zijn aan acute diarree lijdende runderen uitliet. Als stront een schaars en kostbaar artikel zou zijn, lag daar een dampend en vooral geurend fortuin voor het oprapen; zeker op warme dagen was een vers beblubberde maisplak er niks bij. Zoals gezegd kwam ik er nogal eens langs; het veldje lag op de route die ik af moest leggen om het station te kunnen bereiken waar ik met regelmaat de trein pakte om ‘in den vreemde’ de kost voor vrouw en koters te gaan verdienen. Zo af en toe namelijk, draai ik enige argeloze bedrijven in het westen des lands een poot uit, die denken met mij het schip zult binnengehaald te hebben. Ik heb hen er in een grijs verleden van kunnen overtuigen dat wat je van ver haalt stukken lekkerder is en dat niet alle Brabanders analfabeet, kannibaal en dol op bestialiteit zijn. Overigens; mijn vrouw (nee, ik weet ook niet waar ik zo’n verrukkelijke meid aan verdiend heb) is bij mijn thuiskomst meestal ook van mening dat wie van ver komt lekker is. Ik laat haar in die waan. Maar goed; de fietstocht langs het poepveldje dus. De kunst bleek te zijn vóór de bewuste plek tijdig te stoppen met inademen, stevig de sokken erin te zetten en dusdanig lang je adem in te houden dat je het faecaliënparadijs zonder inhaleren passeren kon. Meestal redde ik het niet en werd ik, met een knalrood hoofd, door een bijna fataal zuurstofgebrek gedwongen halverwege juist bijzonder diep de ranzige lucht naar binnen te moeten zuigen, waardoor ik de geur van verse hondenstront nog meters, wat zeg ik; kilometers lang achter in mijn keel kon proeven. Het kwam zelfs voor dat ik, wanneer ik bij wijze van spreken de Westertoren in onze hoofdstad al zag liggen, kokhalzend mijn meegebrachte boterhammetjes weer terug wikkelde in de folie, ten gevolge van de brute aanslag die ruim honderd kilometer terug op mijn reuk- en smaakzintuigen gepleegd was.

In ieder geval; u weet nu vast welk troosteloos veldje ik bedoel. Maar nadat enige muzikanten (gelukkig van de mannelijke kunne, maar dat had zomaar ook anders kunnen zijn, de dames van de kapel een beetje kennende) zich op schaamteloze wijze voor het oog van het kerkvolk ontlast hadden, werd geen enkele aanstalten gemaakt de weg te vervolgen. Sterker nog; Jerom Coppus, iemand die, meent de argeloze toehoorder bij tijd en wijle om de oren te moeten slaan met elitaire volzinnen en nodeloos complexe zinsconstructies doorspekt met semi-academisch vocabulaire, nam het woord. Normaal gesproken belooft dat niet veel goeds en dat bleek ook deze keer het geval. Na een breed uitgesponnen inleiding waarbij hij, figuurlijk gesproken, dacht via Parijs naar Bakel te moeten gaan, kwam hij eindelijk, na een kleine drie kwartier, ‘to the point’. We waren op deze bizarre locatie met een missie! Dit desolaat en godverlaten oord zou, volgens de oeverloos door neuzelende spreker, de meest gepaste plek zijn iemand in het waterige zonnetje te zetten. Ik voelde ineens de stortbui al enigszins hangen moet ik zeggen en inderdaad werd, na een beschamend korte opsomming van mijn wapenfeiten en kwaliteiten, mijn naam genoemd. Aanvankelijk kon ik mij nog schuilhouden achter de jaloersmakend brede schouders en het massieve torso van de voornoemde volstrekt onterechte kameraad, maar ik werd op verraderlijke wijze aangegeven door enige omstanders, die ik daarvoor nog, naïef en argeloos als ik nu eenmaal ben, tot mijn vrienden gerekend had. Ik werd naar voren gedirigeerd en even later werden mij met veel misbaar de versierselen omgehangen die behoren bij het Ere-Hôsbengel-schap.

Yes! Got it! In the pocket! GRUTS! Er waren op dat moment misschien wel nóg gelukkiger mensen in de wereld, maar dat konden er volgens mij nooit meer dan een stuk of nul geweest zijn! Er is maar één Ere-Hôsbengel 2018 en dat is ondergetekende! Nog maar een paar jaar ná ons pa staat er nu zomaar wéér een Aarts te glunderen! Eat this!

De rest van de dag bracht ik door op een roze wolk en ik ga u daar niet mee vermoeien. De felicitaties van al die bekenden die met mij wilden proosten en al die onbekenden die dat ook wilden doen, het geweldige feest dat de kapel er voor Anja en mij van maakte en vooral de intens jaloerse blikken van al die stakkers die het nooit verder geschopt hebben dan de legpenning van de gemeente Deurne of het erestrikkelschap, maakten het een dag om écht nooit meer te vergeten. Ik ben de kapel misselijkmakend dankbaar en ze hoeven me maar te bellen als ze op wat voor manier dan ook beledigd of onderuit geschopt willen worden zoals vrienden dat doen.

Een laatste woord van dank natuurlijk aan Prins Sjors, de onvolprezen trommelslager van de Hôsbengels. Niet omdat hij in dezen iets extra’s betekend heeft 😉 , maar ik voel me, als vieze-voorzitter van de Sjors-Coppusfanclub (jawel, leden nog steeds welkom; voor slechts twee bier en twee Jägermeister kunt u de felbegeerde button verwerven!), toch enigszins verplicht hem hier op het schild te hijsen.

De allerlaatste woorden in dit stukje zijn voor Guus; saxofoons zijn voor mietjes en dameskappers en rood haar is een straf van god.

Het ga u bijzonder en ons ook,

Jochem Aarts – Ere-Hôsbengel 2018

 

 

Martien Thijssen D’n Opsteker 2019

By Algemeen

Martien Thijssen werd vrijdagavond 4 januari door de PR|CIE verrast met D’n Opsteker. In het Pakhuis van Plein Vijf waren de Peelstrekels bij elkaar om aanwezig te zijn bij het uitreiken van de eerste krant aan prins Nico I. D’n Opsteker wordt jaarlijks door de PR|CIE uitgereikt aan iemand die voor, of achter, de schermen een toegevoegde waarde is voor het carnaval in het Peelstrekelrijk. Het was de 28ste keer dat D’n Opsteker werd uitgereikt.

Thijssen dacht dat hij, als voorzitter van de krantencommissie, prins Nico een print op canvas van de voorkant van De Peelstrekel overhandigde bleek de oorkonde behorende bij D’n Opsteker in de verpakking te zitten.

Martien Thijssen kwam in 2004 bij De Peelstrekels als raadslid. Al vrij snel trad hij toe tot het bestuur en ook was hij een tijdje voorzitter van de optochtcommissie. Van 2012 tot 2017 was hij voorzitter van De Peelstrekels. Op dit moment is hij nog steeds actief als voorzitter van de krantencommissie.

De PR|CIE is een aan De Peelstrekels gelieerd gezelschap dat graag buiten de lijntjes kleurt en zich menigmaal op ludieke wijze uit.

Nieuwe website

By Algemeen

Je hebt het vast al gezien. De oude vertrouwde website van de Pr|Cie is volledig op de schop gegaan. Een verfrissend ontwerp is uit de bolhoed getoverd en is ook helemaal up-to-date om het laatste carnavalsnieuws te checken op je telefoon in de kroeg met een pot bier lopend in de polonaise.

Aanmelden voor Kommer & Kwijl is nu NOG makkelijker met het nieuwe inschrijfformulier.
Al het bestaande nieuws van de afgelopen jaren is natuurlijk nog gewoon terug te vinden.

Prins Nico I

By Carnaval

Prins Nico I zwaait in 2019 de scepter over het Peelstrekelrijk. De 34-jarige prins, met aan zijn zijde prinses Anne, is de 61ste prins van De Peelstrekels. Het prinselijk paar heeft drie dochters: Robin van zes, Nikki van vijf en Sam van drie.

Burgemeester Hilko Mak verrichtte de inauguratie van zijn tijdelijke vervanger.

De nieuwe Peelstrekelprins werd op zaterdagavond 17 november in Plein Vijf aan de Markt in Deurne onthuld. Nico is in het dagelijks leven hovenier bij hoveniers bedrijf De Linden. Ook zijn vrije tijd brengt de prins door in het groen; hij voetbalt op zaterdagmiddag op het sportveld van de Walsberg, Leeuwkensbroek. Samen met zijn maat Marijn treedt hij met een gortdroge act op met de QUATSJA!-avonden van de Peelstrekels en op het Walsbergs Bont.

Anne verzorgt de financiële administratie van het bedrijf. Daarnaast is ze secretaresse bij makelaarskantoor Door Martijn, is ze penningmeester van de Gerardusschool in de Walsberg en zingt ze bij popkoor sKoor.

Het motto van de nieuwe prins luidt:

Groen is onze passie

Samen genieten, ons leven

Carnaval met iedereen, ons streven